Spring naar inhoud

Ontwikkelingen 2022

3.1. Financiële analyse

Dekkingsgraad

De beleidsdekkingsgraad (12-maands gemiddelde van de actuele dekkingsgraad) van het pensioenfonds bedraagt eind 2022 134,7%. Dit betekent dat het pensioenfonds de opgebouwde rechten en uitkeringen van deelnemers kan verhogen. 

De dekkingsgraad geeft aan of er voldoende geld ‘in kas’ is voor alle toekomstige pensioenen die nu zijn opgebouwd. Hoe hoger het percentage, des te beter staat het pensioenfonds ervoor. Bij 100% is voor elke euro aan pensioenverplichtingen precies een euro in kas. Dat is niet voldoende. Flinke buffers zijn nodig voor de veiligheid en indexering van het pensioen van alle deelnemers. Dit wordt de vereiste dekkingsgraad genoemd.

Een pensioenfonds heeft meerdere dekkingsgraden. Elke maand wordt een actuele dekkingsgraad bepaald. De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de laatste 12 actuele dekkingsgraden. De beleidsdekkingsgraad is de graadmeter van de financiële positie van het pensioenfonds.

Een pensioenfonds heeft meerdere dekkingsgraden. Elke maand wordt een actuele dekkingsgraad bepaald. De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de laatste 12 actuele dekkingsgraden. De beleidsdekkingsgraad is de graadmeter van de financiële positie van het pensioenfonds. 

Een terugblik op de financiële positie in het verslagjaar
De beleidsdekkingsgraad is in 2022 gestegen van 121,4% naar 134,7%. Een beleidsdekkingsgraad hoger dan 110,0% geeft het pensioenfonds de mogelijkheid om toeslag te kunnen verlenen. Bij het bepalen van de hoogte van de toeslag houden we er rekening mee om ook toeslag te kunnen verlenen op lange termijn (toekomstbestendig toeslag verlenen). Het bestuur heeft per 1 januari 2022 besloten een toeslag te verlenen van 1,95%. En per 1 januari 2023 nog eens 10,0%.

 De vereiste dekkingsgraad (VEV) voor ons pensioenfonds is eind 2022 117,8% (eind 2021: 116,2%). Aangezien de beleidsdekkingsgraad hoger is dan de vereiste dekkingsgraad is er geen sprake meer van een reservetekort. Vanwege deze gunstige financiële positie hoeven we  in 2023, net als in 2022, geen herstelplan bij DNB in te dienen. 

Er is ook een dekkingsgraad behorend bij het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV). Dit is de dekkingsgraad die de minimaal benodigde buffer weergeeft. Als de beleidsdekkingsgraad hieronder komt, is er sprake van een dekkingstekort. Indien de beleidsdekkingsgraad 5 jaar onder het MVEV-niveau blijft, moeten de opgebouwde rechten en uitkeringen worden gekort. Ultimo 2022 is het MVEV 104,1% (2021: 104,1%). In figuur 2 is de beleidsdekkingsgraad weergegeven in samenhang met de wettelijke grenzen voor toeslagverlening. Een overzicht met alle kerngegevens van het pensioenfonds over de periode 2018 tot en met 2022 is opgenomen in de kerngegevens.

Figuur 1: de beleidsdekkingsgraad ultimo 2022, afgezet tegen de wettelijke grenzen

Het Vereist Eigen Vermogen (VEV) is het vermogen dat nodig is om te bewerkstelligen dat met een zekerheid van 97,5% wordt voorkomen dat het pensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder waarden beschikt dan de hoogte van de voorziening pensioenverplichtingen. 

Het VEV is afhankelijk van de mate waarin een pensioenfonds risico’s loopt. Voor de vaststelling van het VEV heeft DNB regels voorgeschreven.

De actuele dekkingsgraad kende in 2022 een positief verloop en eindigde op 31 december 2022 op 129,5% (eind 2021 was dit 126,0%). Gedurende 2022 is sprake geweest van een stijging van de rentetarieven, waardoor de dekkingsgraad steeg, maar ook van een daling van de waarde van beleggingen, waardoor de dekkingsgraad weer daalde. En natuurlijk heeft de toeslagverlening van 10,0% per 1 januari 2023 ook een neerwaartse impact gehad op de hoogte van de dekkingsgraad.

De rente is van belang voor de waardering van de toekomstige verplichtingen op de balans van een pensioenfonds, ook wel technische voorziening (TV) genoemd. In 2022 heeft de stijging van de rente tot een daling van de technische voorziening geleid met een positief effect op de dekkingsgraad. Dit effect wordt voor een deel gedempt omdat het renterisico wordt verlaagd met beleggingen, zoals beschreven in paragraaf 2.5.

In onderstaande grafiek wordt de ontwikkeling van de dekkingsgraad van maand tot maand weergegeven.

In de grafiek is te zien dat de actuele dekkingsgraad  over het gehele jaar bekeken is gestegen. De rente is gestegen, waardoor de stand van de voorzieningen is gedaald. Daar staat tegenover dat de beleggingen ook in waarde zijn gedaald. Het pensioenfonds heeft eind 2022 (effectief per 1 januari 2023) 10,0% toeslag verleend met een daling van de dekkingsgraad tot gevolg.

De waarde van de toekomstige pensioenverplichtingen wordt beïnvloed door wijziging van de rente. Het pensioenfonds heeft dit renterisico voor een deel afgedekt. Een negatief effect van rentedaling op de technische voorziening wordt echter deels gecompenseerd door een positief rendement op de beleggingen die worden aangehouden ter afdekking van het renterisico. Bij stijging van de rente is het effect omgekeerd; de technische voorziening daalt (positief effect) en de waarde van de beleggingen die worden aangehouden ter afdekking van het renterisico daalt (negatief effect). 

De ontwikkeling van de dekkingsgraad in 2022 is naar de belangrijkste oorzaken als volgt weer te geven. Dit geeft niet helemaal een fair beeld omdat 'oorzaken' worden gepresenteerd als afzonderlijke gebeurtenissen, maar in werkelijkheid is er grote samenhang (causaliteit) tussen de renteontwikkeling en de waarde van de beleggingen (pensioenvermogen). 

  Pensioenvermogen Voorzieningen Eigen vermogen Dekkingsgraad
         
31 december 2021 10.957 8.693 2.264 126,0%
Rentestijging   -2.328 2.328 46,1%
Beleggingsrendement -1.907   -1.907 -30,0%
Toeslagverlening   617 -617 -12,6%
Overige effecten -190 -139 -51 -0,1%
31 december 2022 8.860 6.843 2.017 129,5%

De belangrijkste mutaties betreffen:

Effect wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
Het niveau van de RTS ultimo 2022 ligt ver boven de RTS ultimo 2021. Wanneer beide curves worden uitgedrukt in één gemiddeld rentepercentage is de rente met ongeveer 2,2-procentpunt gestegen. Dit leidt tot een afname van de voorziening en dus tot een positief effect op de dekkingsgraad.

Effect beleggingsrendement
De negatieve beleggingsrendementen in 2022 hadden een groot negatief effect op de dekkingsgraad. 

Effect toeslagverlening
Op 1 januari 2023 is 10,0% toeslag toegekend. Deze toeslagverlening, die zorgt voor een hogere technische voorziening en daarmee voor een lagere dekkingsgraad, is meegenomen bij de bepaling van de financiële positie per 31 december 2022. 

Overige oorzaken
Onder de overige oorzaken zijn de resultaten op premies (verschil ontvangen premies en opbouw), uitkeringen en waardeoverdrachten (ontvangen en betaalde ten opzichten van mutaties in de voorziening) opgenomen. Deze hebben individueel en in totaliteit een beperkt effect.

3.1.1. Herstelplan

Het pensioenfonds heeft begin 2023 geen geactualiseerd herstelplan opgesteld. Er is namelijk geen sprake meer van een reservetekort ultimo 2022, omdat de beleidsdekkingsgraad hoger is dan de op dat moment vereiste dekkingsgraad van 117,8% (ultimo 2021: 116,2%).

3.1.2. Haalbaarheidstoets

Het pensioenfonds voert jaarlijks een haalbaarheidstoets uit. Daarmee geeft het pensioenfonds inzicht in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico’s op de lange termijn. Uit de haalbaarheidstoets die we in 2022 hebben uitgevoerd, blijkt dat we hieraan voldoen. Het afgesproken premiebeleid is reëel en haalbaar, en het pensioenfonds heeft voldoende herstelkracht vanuit het niveau van de minimaal vereiste dekkingsgraad. Bij ingrijpende beleidswijzigingen moet een nieuwe haalbaarheidstoets worden uitgevoerd. Hiervan is bij ons geen sprake.

Het voornaamste doel van de haalbaarheidstoets is dat wij en sociale partners kunnen beoordelen of de gemaakte beleidskeuzes en gekozen ondergrenzen zich verhouden tot de geformuleerde pensioenambitie. De uitkomst van de haalbaarheidstoets is een signaalfunctie voor het bestuur en sociale partners om eventueel het beleid bij te stellen.

3.1.3. Kosten

Kengetallen kosten

  2022 2021 2020 2019 2018
Uitvoeringskosten pensioenbeheer
(in euro per deelnemer)
146 144 138 146 155
Uitvoeringskosten
(in % van gemiddeld belegd vermogen)
0,08% 0,07% 0,07% 0,08% 0,09%
Vermogensbeheerkosten
(in % van gemiddeld belegd vermogen)
0,42% 0,43% 0,45% 0,44% 0,34%
Totale kostenratio (som van uitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten in % van gem. belegd vermogen) 0,50% 0,50% 0,52% 0,52% 0,43%
Transactiekosten
(in % van gemiddeld belegd vermogen)
0,11% 0,12% 0,13% 0,10% 0,16%

In vergelijking met voorgaande jaren zijn, overeenkomstig de aanbevelingen van de Pensioenfederatie, de kosten van pensioenuitvoering ook als percentage van het gemiddeld belegd vermogen opgenomen. Daarnaast is een totale kostenratio opgenomen bestaande uit de som van pensioenuitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten (exclusief transactiekosten) ten opzichte van het gemiddeld belegd vermogen.

Uitvoeringskosten pensioenbeheer

De uitvoeringskosten per deelnemer zijn de afgelopen vijf jaar redelijk constant gebleven. Binnen de uitvoeringskosten is wel sprake een verschuiving tussen categorieën. De vorming van een eigen bestuursbureau zorgt voor een verschuiving tussen de kosten van administratie (TKP verzorgde bestuursondersteuning in het verleden) naar de kosten van governance.

Een deel van de kosten bestaat uit kosten die deels betrekking hebben op pensioenuitvoering en deels op vermogensbeheer. Deze kosten zijn op basis van een verdeelsleutel toegerekend. Dit geldt bijvoorbeeld voor kosten voor bestuur en commissies, externe adviseurs en toezichthouders.  In 2022 bedraagt het deel van de kosten dat toegerekend is aan vermogensbeheer € 2.168 duizend (2021: € 2.181 duizend). Deze kosten zijn bij de vermogensbeheerkosten verantwoord onder de categorie Algemeen.

De bruto pensioenuitvoeringskosten zijn met € 73 duizend gestegen ten opzichte van voorgaand jaar (2022: € 9.992 duizend en 2021: € 9.919 duizend). Deze stijging is vooral het gevolg van extra kosten die zijn gemaakt in verband met voorbereidingen op de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Zonder deze kosten zou sprake zijn geweest van een kostendaling.

(bedragen x € 1.000) 2022 2021
     
Governance 976 587
Administratie 7.103 7.854
Controle en advies 340 350
Contributies en bijdragen 576 554
Overige 260 574
  9.255 9.919
Toerekening aan kosten vermogensbeheer -2.168 -2.181
Reguliere kosten 7.087 7.738
Projectkosten (Wtp) 737 0
Totale kosten 7.824 7.738
     

Vermogensbeheerkosten

De vermogensbeheerkosten bestaan uit 2 onderdelen namelijk de directe en de indirecte kosten. De directe kosten zijn (algemene)kosten die rechtstreeks gefactureerd en betaald worden. De indirecte kosten daarentegen zijn kosten die worden gemaakt door onderliggende beleggingsfondsen en zijn opgenomen als onderdeel van rendement en/of waardebepaling bij de bijbehorende asset categorie.

Directe vermogensbeheerkosten

De directe vermogensbeheerkosten bestaan uit de volgende posten:

  • Beheervergoeding: Dit is een vaste beheervergoeding voor het operationeel vermogensbeheer per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie.
  • Indien van toepassing: performance fee: Dit is een prestatieafhankelijke vergoeding voor het beter presteren dan de benchmark, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele negatieve relatieve rendementen uit de vorige jaren.
  • Vergoeding advies, administratie en rapportage: Dit is de vergoeding voor de integrale dienstverlening conform de uitbestedingsovereenkomst.
  • Vergoeding fiduciair adviseur.
  • Overige directe kosten: Dit betreft onder andere de kosten van dienstverlening derivaten en de kosten van het Maatschappelijk Verantwoord Beleggen beleid.
  • Toegerekende kosten van het pensioenfondsbestuur, waaronder kosten van toezicht.

Indirecte vermogensbeheerkosten

De indirecte vermogensbeheerkosten bestaan uit kosten die worden gemaakt binnen de onderliggende beleggingsfondsen. Deze bestaan uit de volgende posten:

  • Beheervergoeding externe managers: Dit is een (basis) vergoeding per tijdsperiode die onafhankelijk is van de prestatie.
  • Performance fee externe managers: Dit is een prestatieafhankelijke vergoeding voor het beter presteren dan de benchmark door een manager, waar en wanneer relevant.
  • Overige kosten: Dit betreft onder andere de vergoeding van de bewaarbank, administratiekosten, accountantskosten en juridische kosten.

De kosten vermogensbeheer worden gerapporteerd in euro’s en als percentage van het gemiddelde van het totaal belegd vermogen. Voor het niet-beursgenoteerde vastgoed zijn de kosten vermogensbeheer gebaseerd op een schatting. De schattingen zijn gebaseerd op opgaven van externe managers van kosten in onderliggende beleggingsstructuren. Voor de overige beleggingscategorieën is het aandeel aan geschatte kosten beperkt. De volgende tabel geeft de kosten per beleggingscategorie weer.

In het hierboven overzicht kengetallen is te zien dat in de afgelopen vijf jaar de vermogensbeheerkosten na eerst een lichte stijging te hebben gehad inmiddels sinds 2020 aan het dalen is naar 0,41% in 2022. De herinrichting van de portefeuille die mede naar aanleiding van de herijking van het strategisch beleggingsbeleid is gedaan in 2020 en 2021, na de overgang naar Van Lanschot Kempen, heeft hieraan bijgedragen.

Vermogensbeheer en transactiekosten

  2022 2022 2021 2021
  x € 1.000 % gemiddeld belegd vermogen x € 1.000 % gemiddeld belegd vermogen
Kosten vermogensbeheer        
Algemeen  5.712  0,06%  7.818  0,08%
Aandelen  7.076  0,07%  12.626  0,12%
Vastrentende waarden  11.613  0,12%  13.368  0,13%
Vastgoed  14.343  0,15%  9.638  0,09%
Derivaten  863  0,01%  916  0,01%
Overige  1.192  0,01%  354  0,00%
Totaal  40.799  0,42%  44.720  0,43%
         
Transactiekosten        
Aandelen  5.007  0,05%  5.653  0,05%
Vastrentende waarden  4.713  0,05%  4.042  0,04%
Vastgoed  336  0,00%  1.204  0,01%
Derivaten  352  0,00%  1.545  0,02%
Totaal  10.408  0,11%  12.444  0,12%

Onderdeel van de kosten van vermogensbeheer zijn ook performance gerelateerde vergoedingen die aan vermogensbeheerders betaald moeten worden als het rendement van een bepaalde belegging hoger is dan de norm (meestal de markt). In 2022 bedroeg deze performance gerelateerde vergoeding, die voornamelijk op vastgoedbeleggingen betrekking had 5 basispunten (2021: 3 basispunten). Zonder deze extra vergoeding bedragen de vermogensbeheerkosten dus 36 basispunten (2021: 38 basispunten). Dit verklaart tevens voor een belangrijk deel de stijging van de kosten in 2022 voor vastgoed.

De transactiekosten laten voor het geheel een daling zien als gevolg van mindere activiteit. Alleen voor de categorie vastrentende waarden is vanwege de rentestijgingen in 2022 en de daarmee samenhangende hogere renteafdekking een stijging van de kosten te zien ten opzichte van 2021.

Vergelijking kosten met benchmark

Wij beoordelen periodiek hoe de uitvoeringskosten van het pensioenfonds zich verhouden tot vergelijkbare pensioenfondsen. In 2022 hebben we geen specifieke vergelijking met benchmark gegevens over 2021 gedaan. Over 2022 zijn nog geen benchmark-gegevens beschikbaar. Om die reden hebben wij onze pensioenuitvoeringskosten over 2022 beoordeeld aan de hand van een in het najaar van 2021 ontvangen rapportage van Lane Clark & Peacock (LCP) over de uitvoeringskosten 2020 en 2019. Hieruit blijkt dat onze gemiddelde pensioenuitvoeringskosten circa 17,5% lager zijn dan de benchmark. Dit stemt ons tot tevredenheid. Niettemin zullen we de kostenontwikkeling bij de pensioenuitvoering kritisch blijven monitoren.

Uit het rapport van LCP blijkt ook dat onze totale vermogensbeheerkosten in vergelijking met vergelijkbare pensioenfondsen beperkt hoger zijn. Een belangrijk deel van deze hogere kosten wordt verklaard doordat gedurende 2020 en 2021 sprake is geweest van eenmalige transitiekosten als gevolg van de overgang van herinrichting van de beleggingsportefeuille met hogere transactiekosten tot gevolg. Ook in 2022 is daar deels nog sprake van. We zijn voornemens om in 2023 een uitgebreide benchmark studie te doen. Hierbij zal naast het niveau van de kosten voor het vermogensbeheer ook het behaalde rendement betrokken worden, aangezien voor bepaalde beleggingscategorieën, zoals illiquide beleggingen naast hogere kosten eveneens een hoger rendement is verwacht.

Kosten Beschikbare Premie Regeling & Individueel Pensioensparen

De deelnemer met een Beschikbare Premie Regeling of Individueel Pensioensparen betaalt geen aan- en/of verkoopkosten. De beleggingskosten worden direct verrekend in het rendement. Deze kosten zijn afhankelijk van het depot waarin wordt belegd.

Life Cycle 2022 2021 Vrij beleggen 2022 2021
Depot 1 0,4% 0,4% Depot A 0,3% 0,3%
Depot 2 0,3% 0,4% Depot B 0,3% 0,3%
Depot 3 0,3% 0,4% Depot C 0,4% 0,4%
Depot 4 0,3% 0,4% Depot D 0,3% 0,3%
Depot 5 0,3% 0,4% Depot E 0,3% 0,3%
Depot 6 0,3% 0,4% Depot F 0,1% 0,1%
Depot 7 0,3% 0,4%      
Depot 8 0,3% 0,3%      
Depot 9 0,3% 0,3%      
Depot 10 0,3% 0,3%      
Doorbeleggen Depot 7 0,3% n.v.t.      

3.1.4. Actuariële analyse

Alle toekomstige pensioenen die nu zijn opgebouwd worden gewaardeerd door hiervoor een verplichting op te nemen, de technische voorziening. De technische voorziening, samen met de omvang van de beleggingsportefeuille bepaalt voor een belangrijk deel de financiële positie van een pensioenfonds. Het verloop van de technische voorziening wordt voor een groot deel bepaald door de bewegingen van RTS.

In onderstaande tabel staat een analyse van het actuariële resultaat. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van het pensioenfonds vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. Omdat regelgeving, richtlijnen en aanwijzingen voor de jaarrekening en de actuariële analyse uiteenlopen, zijn sommige bedragen in onderstaande analyse anders dan die in de jaarrekening.

bedragen Euro x 1.000 2022 2021
     
Resultaat op beleggingen -1.857.731 830.026
Resultaat op wijziging RTS 2.321.194 584.715
Resultaat op premie -40.924 -52.584
Resultaat op waardeoverdrachten -346 1.017
Resultaat op kosten 0 0
Resultaat op uitkeringen -43 318
Resultaat op kanssystemen -14.908 13.672
Resultaat op toeslagverlening -616.129 -164.734
Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen -38.417 26.894
Resultaat op andere oorzaken 161 -485
Totaal saldo van baten en lasten -247.143 1.238.839
     

In 2022 zijn de volgende belangrijke effecten op actuarieel resultaat te onderscheiden:

Beleggingen

Het actuarieel berekend resultaat op beleggingen bedraagt € 1.858 miljoen negatief. Dit resultaat wijkt beperkt af van het resultaat op beleggingen dat in de jaarrekening is opgenomen van € 1.901 miljoen. Dit wordt veroorzaakt doordat in het actuarieel berekende resultaat op beleggingen ook rekening gehouden wordt met de benodigde intresttoevoeging aan de technische voorzieningen.

Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)

Het niveau van de RTS ultimo 2022 ligt boven het niveau van de RTS ultimo 2021. Wanneer beide curves worden uitgedrukt in één gemiddeld rentepercentage is de rente in 2022 met ongeveer 2,2%-punt gestegen. Dit leidt tot een afname van de voorziening en dus tot een positief resultaat.

Premie

De zuivere kostendekkende premie is bepaald op basis van de rentetermijnstructuur en overige actuariële grondslagen per 31 december 2021. De gedempte kostendekkende premie is bepaald op basis van het verwachte rendement gecorrigeerd voor de toekomstbestendige toeslagverlening ter hoogte van de verwachte prijsinflatie. De feitelijke premie is voor het pensioenfonds gelijk aan de gedempte kostendekkende premie.

Kans systemen

Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen pensioenfonds specifieke kans systemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte en arbeidsongeschiktheid. In 2022 is het resultaat net als in 2021 positief, vooral doordat de werkelijke sterfte hoger is dan de veronderstelde sterfte.

Toeslagverlening

Per 1 januari 2023 heeft het bestuur een toeslag van 10% verleend. Deze toeslag was mogelijk doordat de financiële positie van het pensioenfonds, ondanks negatieve beleggingsresultaten, in de loop van 2022 is verbeterd. En omdat met sociale partners overeenstemming is bereikt over het afschaffen van een maximum aan toeslagverlening.

Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen

In 2022 wordt het nadelige resultaat van € 38.417 duizend vooral veroorzaakt door overgang naar de meest recente prognosetafel inclusief aanpassing van correctiefactoren.

In 2021 heeft het fonds een aanpassing van de correctiefactoren op de sterftekansen (ervaringssterfte) doorgevoerd. Invoering van de nieuwe correctiefactoren leidt tot een daling van de technische voorzieningen met € 26.894 duizend, met een positief effect van 0,3%-punt op de dekkingsgraad.

Resultaat op andere oorzaken

Zoals eerder aangegeven, is een nieuwe (uitvoerings)overeenkomst met de werkgever gesloten, waarbij een aantal financieringsverplichtingen tussen de werkgever en het pensioenfonds zijn komen te vervallen. Een onderdeel voor het bereiken van deze nieuwe overeenkomst ziet toe op de affinanciering van de VPL-verplichtingen wat leidt tot een eenmalige last van € 20,3 miljoen.

3.1.5. Kostendekkende premie

Het pensioenfonds voldoet aan de wettelijke eis dat de feitelijke premie minimaal gelijk moet zijn aan de gedempte kostendekkende premie. De kostendekkende premie is de wettelijk minimaal benodigde premie voor de opbouw van het pensioen. Wij toetsen of de feitelijke premie hoger is dan de gedempte kostendekkende premie. Als dat niet het geval is, dan kan het pensioenfonds het opbouwpercentage verlagen. De premies 2022 zijn als volgt: 

  2022 2021
Feitelijke premie  108.770   99.292 
Kostendekkende premie  175.008   175.907 
Gedempte kostendekkende premie  108.770   99.292 

De kostendekkende premie bestaat uit een actuarieel benodigde premie voor de pensioenopbouw en de risicodekkingen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid, de solvabiliteitsopslag, de opslag voor uitvoeringskosten en de opslag voor toeslagverlening. De kostendekkende premie is berekend op basis van de rentetermijnstructuur.

De gedempte kostendekkende premie bestaat uit dezelfde componenten als genoemd onder de kostendekkende premie, aangevuld met de premie die actuarieel benodigd is voor de voorwaardelijke onderdelen van de regeling (toeslagpremie). Bij de bepaling van de gedempte kostendekkende premie wordt uitgegaan van het verwachte rendement met een opslag voor toekomstbestendige toeslagverlening ter hoogte van de verwachte prijsinflatie. Het verwachte rendement en de opslag voor de indexatie zijn vastgesteld op basis van de economische omstandigheden.

Een verdere specificatie van deze premiecomponenten is opgenomen in de jaarrekening, paragraaf 7.4.6.

3.2. Beleggingsresultaten

In deze paragraaf worden de beleggingsresultaten toegelicht. De beleggingsportefeuille van ons pensioenfonds bestaat voor een belangrijk deel uit beleggingen waar het pensioenfonds het risico over loopt (zgn. Defined Benefit of DB). Daarnaast is er een separate beleggingsportefeuille binnen het vermogen van het pensioenfonds voor de saldo’s van de regeling Individueel Pensioensparen (IPS) en de Beschikbare Premieregeling (BPR) waarvan het risico voor de beleggingsresultaten bij individuele deelnemers ligt.

Marktontwikkelingen

Terugblik markten 2022

In het najaar van 2021 en aan het begin van 2022 was krapte in productieketens en de daarmee gepaard gaande oplopende inflatie een belangrijk thema. Maar dat werd al snel overschaduwd door de oorlog in Oekraïne. Energieprijzen - vooral gasprijzen in Europa - schoten omhoog waardoor de inflatie niveaus bereikte die in decennia niet meer gezien waren. Naarmate de maanden verstreken, bleek inflatie hardnekkiger dan gedacht. Inflatie- en renteverwachtingen stegen. Hoge inflatie en krappere financiële omstandigheden hadden hun weerslag op de economische groei. Waar veel landen aan het begin van het jaar nog rugwind hadden van heropening na lockdowns, werden vooral in het tweede en derde kwartaal van 2022 de negatieve effecten van hoge inflatie en oplopende rentes zichtbaar.

Het vertrouwen onder producenten daalde en tevens kelderde het vertrouwen onder consumenten. De koopkracht van consumenten daalde doordat loongroei de hoge inflatie niet kon bijbenen. De weerslag hiervan op consumptiegroei wakkerde de vrees voor een recessie aan. Ook corona besmettingsgolven en lockdowns in China, alsmede grote problemen in de Chinese vastgoedsector, droegen bij aan het lagere wereldwijde groeitempo. Dankzij een surplus aan besparingen die gezinnen tijdens de coronapandemie hadden opgebouwd, krappe arbeidsmarkten en heropeningseffecten, bleef de groei wel positief. Richting het einde van het jaar begon de inflatie in de Verenigde Staten te dalen, terwijl die in de eurozone nog hoog bleef. Door een milde winter en goed gevulde gasvoorraden daalden Europese gasprijzen wel snel in de laatste maanden van 2022.

Centrale banken, vooral het Amerikaanse stelsel van centrale banken (‘de Fed’), hielden lang vol dat de oplopende inflatie tijdelijk zou zijn. Maar in 2022 hebben zij hun mening bijgesteld, waarbij inflatiebestrijding prioriteit kreeg. De Fed bouwde haar obligatie-opkoopprogramma versneld af, verhoogde de rente van maart tot en met december 2022 met maar liefst 4,25%-punt, en besloot daarnaast vanaf juni de omvang van haar balans af te bouwen. De Europese Centrale Bank (ECB) bouwde ook haar obligatie-opkoopprogramma in 2022 af, wat in juli voltooid was. Het beleid van de ECB is steeds geweest om eerst de opkoopprogramma’s af te bouwen en daarna pas de rente te verhogen. Gedwongen door hoge inflatie, zag de ECB zich genoodzaakt om de renteverhoging in juli al een maand van tevoren aan te kondigen. Deze was met 0,5%-punt ook hoger dan verwacht. Daarna volgde nog 2%-punten aan renteverhogingen tot het einde van het jaar. Door hoge inflatie en agressieve centrale banken liepen kapitaalmarktrentes snel op gedurende 2022.

De Amerikaanse dollar steeg gedurende het jaar circa 6% versus de euro onder invloed van de sneller oplopende renteniveaus in de VS en het tekort op de lopende rekening van de eurozone door de hoge energieprijzen in Europa. Het Britse pond, de Japanse Yen en de Chinese renminbi daalden alle in waarde ten opzichte van de euro.

Rente

De rente steeg dit jaar sneller dan ooit tevoren. Over het hele jaar 2022 liep de rente bijna 2%-punt op. Dit is goed nieuws voor pensioenfondsen, omdat er minder geld in kas hoeft te worden gehouden om een uitkering in de verre toekomst te kunnen financieren. Omdat een dalende rente juist voor het omgekeerde zorgt (dan moet er meer geld aanwezig zijn voordezelfde toekomstige uitkering) beleggen we een deel van het vermogen in beleggingen die in waarde dalen als de rente stijgt en in waarde stijgen als de rente daalt. Omdat we niet al het renterisico afdekken daalde het vermogen minder in waarde dan de boekwaarde van de toekomstige uitkeringen, waardoor de dekkingsgraad flink steeg.

Aandelen

De oorlog in Oekraïne raakte ook onze aandelenbeleggingen. De onzekerheid die de oorlog met zich meebrengt, maar ook de stijgende prijzen en onzekerheid over of bedrijven die door kunnen belasten aan klanten drukten sterk op de koersen. Daarnaast betekent de hogere rente dat het duurder is voor bedrijven om geld te lenen, wat ook slecht is voor de winstgevendheid en dus de prijzen.

Vastgoed en landbouwgrond

Onze illiquide beleggingen, waaronder vastgoed en landbouwgrond, bleven behoorlijk goed overeind. Hierbij moet wel worden aangetekend dat er vaak een vertraging zit in de waarderingen die voor dit soort beleggingen gelden. Met name voor vastgoed houden we rekening met een daling van de waarde van de gebouwen in 2023, al zullen de doorlopende huurinkomsten dit effect wel dempen. Ook zijn veel huurcontracten deels of gedeeltelijk gekoppeld aan de inflatie. Deze koppeling beschermt ons tegen een oplopende inflatie, waarbij de kanttekening gemaakt dient te worden dat huurders dit wel moeten kunnen opbrengen, en er uiteraard oog moet zijn voorschrijnende gevallen.

Landbouwgrond boekte een bescheiden, maar positief rendement. Dit is ook wat we van deze categorie verwachten: een stabiele bron van inkomsten. We beleggen niet in landbouwgrond om speculatieve redenen, en verwachten daarom dat het rendement vooral wordt gedreven door inkomsten en niet door waardestijgingen. Op termijn stijgen voedselprijzen ook mee met inflatie. Op korte termijn is dit verband minder duidelijk, omdat prijsstijgingen in de winkel voor een groot deel veroorzaakt worden doorstijgende kosten elders in de keten, bijvoorbeeld brandstofprijzen.

Vastrentende waarden

Zoals onder ‘Rente’ al beschreven dalen de meeste obligaties in waarde als de rente stijgt. Voor alle liquide beleggingen zagen we dat dit jaar gebeuren, net als bij onze hypotheekbeleggingen. De enige uitzondering hierop waren leningen die direct aan bedrijven worden verstrekt (niet via een obligatie, maar één op één). Deze direct leningen zijn vaak nauwelijks gevoelig voor markrentes, en zouden op jaarbasis altijd tussen de 2,5% en 5% op moeten leveren. Met 3,7% voldeden ze aan deze verwachtingen.

Totaal rendement

In het volgende overzicht zijn de beleggingscategorieën met de behaalde rendementen, de benchmark en het relatief rendement (verschil tussen behaald rendement en benchmarkrendement) weergegeven.

Categorie Allocatie   Rendement Benchmark Relatief
  (€ x 1.000)   (%) na kosten (%) (%)
           
Renteafdekking overlay 965.980   -36,9% -34,1% -2,7%
Liquiditeiten 42.870   -0,1% 0,0% -0,1%
Matching portefeuille   1.008.850 -35,7% -34,1% -1,6%
           
Aandelen ontwikkelde landen 1.871.866   -17,1% -14,2% -2,9%
Aandelen opkomende landen 422.071   -20,0% -14,9% -5,2%
Onroerend goed 1.147.895   1,3% 4,4% -3,1%
Vastrentende waarden High Yield 1.089.202   -6,3% -6,3% 0,0%
Vastrentende waarden Inv. Grade 3.169.412   -15,5% -15,8% 0,2%
Valuta-afdekking 14.325        
Liquiditeiten 43.411   -35,0% -0,0% -35,0%
Rendementsportefeuille   7.758.182 -14,6% -13,1% -1,5%
    8.767.032 -17,7% -16,3% -1,4%
Onder vorderingen en schulden opgenomen   785      
Beleggingen volgens balans   8.767.817      

Samenvattend zijn we van oordeel dat, gegeven de samenstelling van onze beleggingsportefeuille, de rendementen tot tevredenheid stemmen. Het rendement op de matchingsportefeuille, die in belangrijke mate rentegevoelig is, is 1,6% beter dan de benchmark. De rendementsportefeuille heeft een iets lager rendement opgeleverd dan de benchmark. Het bedrag in bovenstaande tabel vermeld onder allocatie wijkt iets af van de bedragen in de jaarrekening. Dat komt door een andere presentatie van beleggingsvorderingen en –schulden.

Resultaten Individueel Pensioensparen (IPS) en Beschikbare-Premieregeling (BPR

De Pensioenwet stelt bij regelingen voor rekening en risico van de deelnemer (BPR en IPS) bepaalde eisen, dit wordt de “zorgplicht” genoemd. De kern is dat het pensioenfonds verantwoordelijk is voor de beleggingen en daarbij moet handelen volgens het zogeheten ‘prudent person beginsel’. Dit houdt in dat er moet worden belegd in het belang van de deelnemer. Dit betekent dat naarmate de pensioendatum dichterbij komt, de beleggingsmix minder risicovol moet zijn. Dit wordt aangeduid met de term ‘Life Cycle’. 

De stijging van de rente en aandelenkoersen zorgden voor grote verschillen tussen de verschillende depots in de IPS en BPR.

Eind 2022 bedraagt het in de Life Cycle depots belegd vermogen €15,3 miljoen (2021: € 21,5 miljoen). In de Vrij beleggen depots bedraagt het belegd vermogen eind 2022 €1,9 miljoen (2021: € 2,2 miljoen).

In 2022 is voor het eerst vermogen belegd in een Life Cycle die zich richt op doorbeleggen na de pensioendatum. Omdat dit gedurende 2022 gebeurde zijn de cijfers die hier getoond worden niet van toepassing op het gehele jaar, maar alleen over de tweede helft.

Life Cycle Rendement Benchmark Relatief Vrij beleggen Rendement Benchmark Relatief
Depot 1 -15,1% -12,8% -2,3% Depot A -13,7% -11,5% -2,2%
Depot 2 -15,0% -14,0% -1,0% Depot B -11,5% -10,1% -1,4%
Depot 3 -17,0% -15,4% -1,6% Depot C -14,5% -14,7% 0,2%
Depot 4 -17,3% -16,9% -0,5% Depot D -26,3% -25,9% -0,4%
Depot 5 -19,8% -18,3% -1,5% Depot E -11,5% -10,1% -1,4%
Depot 6 -20,7% -19,8% -1,0% Depot F -0,1% 0,0% -0,1%
Depot 7 -22,3% -21,3% -1,0%        
Depot 8 -23,8% -22,8% -0,9%        
Depot 9 -25,3% -24,5% -0,8%        
Depot 10 -26,7% -25,9% -0,7%        

Aandelen ontwikkelde markten

Oplopende inflatiecijfers en renteniveaus gaven druk op aandelenkoersen gedurende het jaar. Bedrijfswinsten bleven nog op peil doordat bedrijven over het algemeen opgelopen prijsniveaus konden doorberekenen in hun prijzen. Hierdoor konden winstmarges van bedrijven standhouden.

De wereldwijde aandelenindex daalde in 2022 in euro’s gemeten met bijna 13%. De sterkere dollar heeft deze daling voor de euro belegger wel verzacht. Sectoraal waren de verschillen groot. Groeisectoren als Informatietechnologie en Communicatiediensten werden door de oplopende renteniveaus relatief hard geraakt. Aan de andere kant deed de sector Energie het goed aangezien deze kon profiteren van de oplopende olie- en gasprijzen en de onzekerheid die op energiemarkten ontstond na de inval van Rusland in Oekraïne. 

Aandelen opkomende markten

Aandelen uit opkomende markten bleven in 2022 achter bij ontwikkelde markten en moesten een verlies incasseren van bijna 15%. Naast lagere vraag naar goederen in het algemeen en microchips in het bijzonder, wat met name haar impact heeft op bedrijven in Taiwan en Zuid-Korea, was het slechte beursjaar in belangrijke mate het gevolg van ontwikkelingen in China waar problemen in de vastgoedsector en het strenge zero-covid beleid aandelenkoersen onder druk zetten. Het strenge zero-covid beleid werd door de Chinese overheid aan het einde van het jaar onverwacht versoepeld, waardoor aandelenmarkten met stijgende beurskoersen anticipeerden op een heropening van de Chinese economie. Dit kon de opgelopen schade in aandelenkoersen, die gedurende het jaar was ontstaan, echter niet meer goedmaken.

Onroerend goed

Vastgoed was een categorie welke het in 2022 moeilijk had. Ondanks de koppeling die huren met inflatie kennen, kregen de opgelopen renteniveaus de overhand op de waardeontwikkelingen binnen vastgoed. Bij beursgenoteerd vastgoed was dit direct zichtbaar. Wereldwijd liet de vastgoedindex een waardedaling van ruim 20% zien, in Europa was dit, onder invloed van een dreigende recessie, nog groter met 37%.

Voor niet-beursgenoteerd vastgoed zal dit effect vertraagd doorwerken en verwachten wij komende kwartalen nog verdere druk op waarderingen. In de tweede jaarhelft viel bij niet-beursgenoteerd vastgoed indices al een voorzichtige daling waar te nemen met name voor de sector kantoren. Bij kantoren is er nog altijd onduidelijkheid rondom de lange termijn gevolgen van meer thuiswerken, echter is de verwachting dat de vraag naar A-locaties groot zal blijven en dat de benodigde ruimte per werknemer op kantoor zal toenemen. 

Vastrentende waarden (investment grade en high yield)

Centrale banken hebben gedurende het jaar het monetaire beleid telkens verscherpt. Tegenvallende, hogere, inflatiecijfers dwongen de centrale banken harder in te grijpen. De Fed bouwde haar opkoopprogramma af en verhoogde in zeven stappen de rente met 425 basispunten. De ECB was wat terughoudender, maar bouwde haar PEPP-opkoopprogramma af en verhoogde de rente met 250 basispunten.

Renteniveaus kenden een volatiel verloop dit jaar doordat financiële markten zich dienden aan te passen aan hoger dan verwachte inflatieniveaus en de reacties van centrale banken hierop. Per saldo stegen kapitaalmarktrentes fors wereldwijd. Dit leidde tot een ware ‘bear market’ op obligatiemarkten met ongekende verliezen.

De Duitse 10-jaars rente steeg in 2022 van -0,2% naar +2,6%. De Europese AAA-staatsleningenindex liet hierdoor een negatief rendement van -18,5% zien. Ook kredietopslagen liepen gedurende het jaar op door verslechterende economische vooruitzichten. Europese investment grade bedrijfsobligaties boekten een negatief rendement van -14,2%. Hypotheken en de meer conjunctuurgevoelige high yield bedrijfsobligaties lieten eveneens een negatief rendement zien. Direct lending was een categorie die de schade enigszins beperkt wist te houden, vanwege de lagere rentegevoeligheid, en liet over het jaar een beperkt verlies zien.

Vooruitblik financiële markten 2023

Waar in Europa in de herfst van 2022 nog een zware recessie werd verwacht, zijn de vooruitzichten met name verbeterd vanwege de sterke verbetering op de energiemarkt (met name gas). Een zware recessie is minder waarschijnlijk geworden, maar een periode van lage tot licht negatieve groei ligt wel in het verschiet. De koopkracht van consumenten is in 2022 sterk uitgehold doordat loongroei behoorlijk achterbleef bij de inflatie. Maar de uitgaven hebben daar nog niet op gereageerd. Heropening na de coronapandemie, met het herstel in de uitgaven naar diensten, was  daarin een belangrijke drijfveer. Voor het komende jaar verwachten wij echter dat de lagere koopkracht druk op consumentenuitgaven zal geven. De renteverhogingen en krappere financiële condities zullen, met een vertraagde werking, druk op de economische groei blijven uitoefenen in het eerste deel van dit jaar. Het krappere beleid van de ECB doet zich al voelen in rentegevoelige sectoren, zoals de huizenmarkt. Huizenprijzen dalen over een breed front. Dalende inflatie en een nog krappe arbeidsmarkt, die bedrijven ervan weerhoudt ontslagrondes aan te kondigen, zullen de schade aan de economie beperken. Ook fiscale compensatieprogramma’s van overheden, met als doel om de impact van hogere energiekosten voor consumenten te beperken, zal wat lucht geven.

In de VS is het momentum van de groei in het laatste kwartaal van 2022 afgenomen. Consumenten zijn voorzichtiger geworden nu vooral bij lagere inkomens de extra besparingen van tijdens de coronapandemie opgesoupeerd zijn. De agressieve renteverhogingen van de Fed hebben een duidelijk negatief effect op de huizenmarkt en rentegevoelige consumptieve bestedingen. De arbeidsmarkt vertoont voorzichtige tekenen van afkoeling, waarbij loongroei begint af te vlakken. Een recessie in de VS lijkt in de loop van 2023 onvermijdelijk.

De inflatie zal in de loop van 2023 verder gaan dalen. Eerst vooral aan de energie- en goederenkant, later ook in de dienstensector. Na nog enkele renteverhogingen kunnen centrale banken vanaf het voorjaar een pauze inlassen. De Fed is daar overigens dichterbij dan de ECB. Markten speculeren al op renteverlagingen in de VS, maar daar is de Fed voorlopig nog niet aan toe. De banengroei is voor nu nog te sterk voor de Fed om renteverlagingen te kunnen overwegen.

3.3. Maatschappelijk verantwoord beleggen

In deze paragraaf worden de resultaten van onze aanpak op gebied van maatschappelijk verantwoord beleggen toegelicht. Het beleid zelf is toegelicht in paragraaf 2.5. Later dit jaar wordt het volledige jaarverslag voor maatschappelijk verantwoord beleggen separaat gepubliceerd op de website van het pensioenfonds.

Op grond van EU verordening 2022/1288 zijn financiële instellingen - waar pensioenfondsen toe behoren - met ingang van 2022 verplicht Annex 4 Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR) als bijlage bij het jaarverslag te voegen. De inhoud en vorm van deze bijlage zijn wettelijk voorgeschreven. Deze Annex 4 SFDR is als bijlage 4 opgenomen.

Het pensioenfonds heeft een beleid op het gebied van maatschappelijk verantwoord beleggen dat gericht is op het voorkomen van negatieve impact en het bereiken van positieve impact op twee hoofdgebieden die samenhangen met de Sustainable Development Goals (SDGs) van de Verenigde Naties op het gebied van:

  • Goede gezondheid en welzijn (SDG 3)
  • Klimaatactie (SDG 13)

Specifiek op het gebied van klimaat is het fonds in 2021 bezig geweest het beleid te concretiseren. Hierbij is er voor beleggers houvast in de vorm van zogenaamde “klimaatbenchmark”. De belangrijkste is de zogeheten Paris Aligned Benchmark. Bij deze benchmark wordt uitgegaan van de reducties die nodig zijn om de doelstellingen van het Akkoord van Parijs van een maximale opwarming van 2 graden Celsius. Volgens deze benchmark wordt de CO2-uitstoot in 2020 met 50% gereduceerd, en vervolgens jaarlijks met 7% omlaag gebracht ten opzichte van het jaar ervoor. Voor 2022 betekent dit dat de norm is om nog maar 40%(=0,93^3 * 50%) uit te stoten van wat in 2020 ‘de norm was’. Voor de liquide beleggingen voldoen we momenteel aan dit doel, met een reductie van ongeveer 64%.

Ons doel is om eind 2023 om voor de gehele portefeuille gemiddeld genomen te voldoen aan de Paris Aligned Benchmark. Kanttekening hierbij is dat de beschikbaarheid van meetgegevens naar verwachting de komende jaren nog een uitdaging zal vormen. Voor sommige beleggingen, zoals vastgoed, zien we de kwaliteit van de beschikbare meetgegevens toenemen. Van andere categorieën, zoals directe bedrijfsleningen maar bijvoorbeeld ook hypotheken, is de kans groot dat dit langer zal duren.

Portefeuille ontwikkelingen en metingen

In 2022 zijn we verdergegaan met het verduurzamen van de portefeuille. De belangrijkste wijzigingen die zijn doorgevoerd zijn:

  • Opname van twee actieve aandelenfondsen die zich expliciet richten op de thema’s die wij belangrijk vinden (tegengaan van klimaatverandering en goede gezondheid en welzijn);
  • Binnen high yield bedrijfsobligaties hebben we een fonds opgenomen dat we in 2021 geselecteerd hadden, en dat zich richt op bedrijven die minder CO2 uitstoten;
  • Voor aandelen van bedrijven in opkomende landen hebben we naast het fonds dat we al hadden een passief fonds opgenomen. Dit fonds richt zich, net als een aantal passieve aandelenfondsen die we al hadden, op bedrijven die veel minder CO2 uitstoten, en die bij voorkeur een positieve bijdrage aan de thema’s die wij belangrijk vinden.

Daarnaast hebben we voorbereidingen getroffen voor twee aankomende transities:

  • Binnen relatief veilige ( 'investment grade’) bedrijfsobligaties hebben we twee nieuwe fondsen geselecteerd. Deze zullen allebei in 2023 aan de portefeuille worden toegevoegd, als vervanging van twee van de drie fondsen die we nu in deze categorie hebben;
  • Voor staatsobligaties van opkomende landen hebben we besloten wie de nieuwe fondsen zal beheren die opgenomen gaan worden, om invulling te geven aan het nieuwe landenbeleid dat we hebben in deze categorie.

Het pensioenfonds gebruikt de volgende middelen om maatschappelijk verantwoord te beleggen:

  • Uitsluitingen
  • Dialoog
  • Betrokken aandeelhouderschap.

Uitsluitingen
Het pensioenfonds hanteert een eigen uitsluitingenlijst. Deze is gebaseerd op ethische overwegingen over de activiteiten van bedrijven. Concreet willen wij niet beleggen in bedrijven die betrokken zijn bij:

  • Productie van controversiële wapens (zoals clustermunitie)
  • Mijnbouw
  • Teerzanden
  • Tabak
  • Schending van VN Global Compact

VN Global Compact en dialoog

Op dit moment is het pensioenfonds voor 0,2% belegd in bedrijven die zich niet houden aan de principes uit de VN Global Compact (eind 2021 0,2%). Met bedrijven die hier onder vallen (een klein deel zijn staatsobligaties) wordt een dialoog gevoerd over het aanpakken van de problemen die leiden tot deze Global Compact ‘Fail’ score.

ESG-score

Alle bedrijven waar we wél in beleggen hebben een ESG-score. Hiermee worden bedrijven onafhankelijke beoordeeld op hun prestaties op het gebied van verantwoord ondernemen, ten opzichte van andere bedrijven in dezelfde sector. Het is ons uitgangspunt om bedrijven die de laagste rating hebben (CCC) uit te sluiten en bedrijven met een ‘B’ rating niet actief toe te voegen aan de portefeuille. Op dit moment is 0,1% van het vermogen belegd inbedrijven met een ‘CCC’ rating (eind 2021 0,4%).

Olie en gasbedrijven sluiten we niet volledig uit, omdat deze bedrijven de komende jaren nog een essentieel onderdeel van onze samenleving en economie vormen. Wel beleggen we er fors minder in, omdat deze bedrijven het risico lopen dat onderdelen van hun bezittingen sterk in waarde dalen door de energietransitie. Dit zijn bijvoorbeeld gasvelden die nu geld waard zijn, maar in de toekomst niet voldoende zullen opbrengen om de kosten van het delven van het gas goed te maken.

GRESB-score vastgoed

De Global Real Estate Sustainability Benchmark-score (hierna: GRESB-score) in de tabel hieronder toont de scores van 2021 en 2022. Zowel bij de fondsbelegging in Europa als bij de mandaten in Noord-Amerika en Azië-Pacific daalde de score licht. Volgens de beheerder van het vastgoedmandaat, Aegon Asset Management, kwam dit onder meer door een forse stijging van het aantal deelnemende beleggingsfondsen. Dit groeide met 16%, wat betekent dat de scores betrouwbaarder werden, maar in dit geval dus ook netto iets lager.

Niet-genoteerd onroerend goed GRESB-sterren GRESB-score Dekking
Europa ★★★★★ 88 pt (2021: 90 pt) 98%
Azië-Pacific en Noord-Amerika nvt 81 pt (2021: 83 pt) 100%

Betrokken aandeelhouderschap

Stemmen

Het pensioenfonds stemt op aandeelhoudervergaderingen wereldwijd. Voor stemactiviteiten wordt gebruik gemaakt van gespecialiseerde stemadviesbureaus en er wordt in beginsel gestemd conform de ‘ISS International Sustainability Proxy Voting Guidelines’. In bijzondere gevallen, zoals Eumedion alerts, afwijkingen van de Nederlandse Governance Code of sector-brede aandeelhoudersresoluties, kan afgeweken worden van het ISS stemadvies.

Op de aandeelhoudersvergaderingen is in totaal 26.403 keer gestemd. In 2.408 gevallen is er tegen het management gestemd of heeft het fonds zich onthouden van stemmen. Dat is 9,1%.

3.4. Pensioenregeling in het verslagjaar 2022

De pensioenregeling is gebaseerd op de pensioenafspraken tussen de sociale partners (PostNL en de vakbonden. Het pensioenfondsbestuur is geen partij bij dit overleg. De pensioenregeling is gebaseerd op deze afspraken. Wijzigen de afspraken tussen de Sociale partners, dan wijzigt ook de pensioenregeling.

Per 31 december 2022 is de pensioenregeling inhoudelijk gewijzigd voor zowel de deelnemers in de cao-regeling als in de pao-regeling. Door de pensioenregeling aan te passen, heeft het pensioenfonds alle pensioenen per 1 januari 2023 met 10,0% kunnen verhogen. Voor 31 december 2022 mocht het pensioenfonds de pensioenen namelijk niet meer dan 4% verhogen. Die beperking geldt nu niet meer. 

De regeling is per 31 december 2022 een collective defined contribution (CDC) regeling. Daardoor is PostNL voortaan alleen nog verplicht om de reguliere pensioenpremie te betalen. Als het dan financieel minder goed gaat met het pensioenfonds, hoeft PostNL geen extra betalingen meer te doen. Maar gaat het goed met het pensioenfonds, dan krijgt PostNL ook geen geld terug. Dit kon beide wel gebeuren in de pensioenregeling zoals die vóór 31 december 2022 van toepassing was.

Opbouwpercentage en pensioengevend salaris

Onze pensioenregeling is voor de deelnemers in het kort als volgt:

  • De basispensioenregeling is vanaf 31 december 2022 een CDC regeling en voorziet in een ouderdomspensioen, partnerpensioen, wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen. Ook de pensioenregeling zoals gold gedurende 2022 voorzag in  ouderdomspensioen, partnerpensioen, wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen;
  • De pensioen richtleeftijd is 68 jaar (vanaf 2018);
  • Het opbouwpercentage van het ouderdomspensioen is maximaal 1,875% (vanaf 2015) per jaar;
  • Over een deel van het pensioengevend salaris wordt geen pensioen opgebouwd (de franchise);
  • Het pensioengevend salaris is wettelijk gemaximeerd;
  • Het partnerpensioen is op opbouwbasis en bedraagt 63% van het ouderdomspensioen;
  • Het wezenpensioen is 20% van het partnerpensioen;
  • Bij arbeidsongeschiktheid is er sprake van premievrije voortzetting gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid;
  • Deelnemers met een inkomen groter dan het maximum dagloon WIA ontvangen een arbeidsongeschiktheidspensioen wanneer zij arbeidsongeschikt worden;
  • Verhoging van de pensioenen (toeslag) is gebaseerd op de stijging van de Consumentenprijsindex (CPI) alle huishoudens (afgeleid). Tot 31 december 2022 is deze verhoging maximaal 4%. Vanaf 31 december 2022 is er niet langer sprake van een maximum;
  • Op vrijwillige basis kunnen deelnemers sparen in de regeling Individueel Pensioensparen (IPS).

De franchise bedroeg in 2022 € 15.859,53 (2021: € 15.583,86) bij een voltijd dienstverband. Over dit deel wordt geen pensioen opgebouwd. Daarnaast was het pensioengevend salaris (wettelijk) gemaximeerd op € 128.810 (2021: € 112.189) bij een voltijd dienstverband. Boven dit bedrag wordt dus ook geen pensioen opgebouwd.

Deelnemers die een persoonlijke arbeidsovereenkomst hebben die is gestart in de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2014 konden ook deelnemen aan de beschikbare premieregeling (BPR). Per 1 januari 2015 is nieuwe inleg in deze regeling niet meer mogelijk. Het bestaande saldo rendeert tot het moment van uitdiensttreding, pensionering of overlijden. Vanaf 1 september 2016 kunnen deelnemers met hun BPR-kapitaal doorbeleggen na pensionering. Dit moet dan wel overgedragen worden aan een andere pensioenuitvoerder (het 'shoprecht'). 

Toeslagen

Het pensioenfonds probeert jaarlijks de pensioenrechten en –aanspraken te verhogen. Het streven is om de aanpassing te doen met 70% van de stijging van de Consumentenprijsindex (CPI) alle huishoudens (afgeleid). Deze toeslagverlening is voorwaardelijk. Met ingang van 31 december 2022 is er niet langer sprake van een maximum van 4%. Of een toeslag wordt toegekend, is afhankelijk van de beleidsdekkingsgraad van het fonds. 

Het bestuur besluit jaarlijks tot het verlenen van een toeslag op basis van de geldende uitgangspunten. Bij dit besluit worden de belangen van alle deelnemersgroepen zorgvuldig afgewogen. Toeslag kan worden verleend als onze middelen dit voor zowel de korte als lange termijn toestaan. Er wordt hiervoor geen aparte premie ontvangen en er is geen geld gereserveerd voor toekomstige toeslagen. Ook is er geen recht op toeslagen en is het onzeker of dit, en voor hoeveel, verleend kan worden in de toekomst. Een eventuele achterstand kan worden ingehaald.

Op 23 december 2022 heeft het pensioenfonds, na overleg met de sociale partners, besloten dat per 1 januari 2023 de pensioenen met 10,0% worden verhoogd. 

In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van de toegekende toeslagverlening, de volledige toeslagverlening, waarin ook het verschil en de totale achterstand per 1 januari wordt weergegeven.

3.5. Communicatie

In het communicatie jaarplan is het meerjaren communicatiebeleid vertaald naar concrete uitvoering. Hierin zijn de acties beschreven die we uitvoeren om de doelstellingen te halen.

Voor de realisatie van de diverse KPI’s hebben we in 2022 een aantal campagnes uitgevoerd. In juni zijn we gestart met de campagne ‘Nieuw in dienst’. Nieuwe medewerkers op het hoofdkantoor van PostNL hebben in het welkomstpakket een kaart gekregen met uitleg over  het pensioenfonds. In november hebben we een succesvolle campagne gehad om meer e-mailadressen van onze deelnemers te verzamelen. Het aantal e-mailadressen is hierdoor flink toegenomen en kunnen we onze deelnemers nog meer bereiken.

In april 2022 hebben we een onlineonderzoek uitgevoerd naar onze dienstverlening en communicatie. Via een online vragenlijst hebben medewerkers, oud-medewerkers en gepensioneerde deelnemers anoniem meegedaan.

In samenwerking met VLK is de communicatie over MVB actief opgepakt. Regelmatig was er via diverse middelen aandacht voor MVB en de MVB-doelen waar wij voor gekozen hebben. Dit hebben we gedaan door MVB onder aandacht te brengen aan de hand van polls en het uitbrengen van een MVB-jaarverslag.

De diverse campagnes en digitale berichten leveren veel websitebezoek op. Achter de schermen zijn we begin 2022 gestart met het bouwen van onze nieuwe website en Mijn Omgeving om onze deelnemers nog beter van dienst te kunnen zijn via de digitale weg. Afronding hiervan was in februari 2023.

In 2022 zijn twee deelnemerspanels georganiseerd. Bij beide panels was een bestuurslid aanwezig. Er werd onder meer gesproken over het nieuwe pensioenstelsel en MVB. In de panels nemen zowel actieven als pensioengerechtigden deel.

Eind 2022 is tijdens het overleg tussen pensioenfonds en sociale partners aandacht geschonken aan de financiële situatie van het pensioenfonds, het opbouwpercentage en de verhoging van de pensioenen per 1 januari 2023. Hierover hebben we onze deelnemers geïnformeerd, maar ook over de gewijzigde regeling per 31 december 2022 is communicatie verstuurd. 

3.6. Governance

Personele wisselingen

Bestuur

De termijn van de heer Van de Kieft liep op 1 januari 2022 af. De heer Van de Kieft heeft zich beschikbaar gesteld voor een nieuwe termijn van twee jaar, in plaats van de gebruikelijke vier jaar. Het voorgenomen besluit van het bestuur om de heer Van de Kieft te herbenoemen, is voorgelegd aan zowel de voordragende partij en de Raad van Toezicht. Beide partijen waren akkoord met de herbenoeming en daarmee is de heer Van de Kieft herbenoemd.

Daarnaast liep de termijn van de heer Dorrestijn af per 16 januari 2022. Ook deze herbenoeming is voorgelegd aan de voordragende partij en de Raad van Toezicht en na instemming van beide partijen is de heer Dorrestijn voor een laatste termijn door het bestuur herbenoemd.

Raad van Toezicht

De samenstelling van de Raad van Toezicht is in 2022 niet gewijzigd. 

Verantwoordingsorgaan

De zittingstermijnen van mevrouw Eleveld en de heer Heiligers liepen op 1 juli 2022 af. Voor de heer Heiligers was de maximale zittingsduur bereikt en was dus niet herkiesbaar. Mevrouw Eleveld heeft zich niet herkiesbaar gesteld. De zetel namens de pensioengerechtigden is na gehouden verkiezingen, ingevuld door de heer Langeveld. De zetel namens actieve deelnemers is ingevuld door mevrouw Van de Wardt – Olde Riekerink.

Bestuursbureau en huisvesting

In 2022 heeft het Bestuursbureau verder vorm gekregen. Eind 2022 waren er zes medewerkers in dienst. Naast Emmie Lewin (directeur Bestuursbureau) en Peter Bonewit (manager bedrijfsvoering) zijn Bert de Fockert (risicomanager), Daan den Ouden (fondssecretaris), Wouter Gockel(fondssecretaris) en Myra de Groot (officemanager) aangetrokken. Marleen Prins(fondssecretaris) was in 2022 via TKP werkzaam bij het bestuursbureau, maar is per 1 januari 2023 in dienst getreden. Peter Bonewit is per 1 januari 2023 uit dienst getreden; zijn opvolger André Floor is op 1 april 2023 begonnen.

De belangrijkste rol voor de medewerkers is het ondersteunen van het bestuur en commissies, deelnemen aan projecten en gesprekspartner zijn van de uitbestedingspartijen voor de operationele activiteiten. Belangrijke aandachtspunten voor het bestuursbureau zijn de leiding van het project Pensioenhervorming en de monitoring van de verschillende uitbestedingspartijen.

Ontwikkelingen organisatie

Veel aandacht hebben wij besteed aan het project Pensioenhervorming in het kader van de implementatie van het nieuwe pensioenstelsel. Wij hebben de overleggen tussen sociale partners gefaciliteerd en ondersteund met diverse adviezen en berekeningen. Daarnaast hebben wij als bestuur veel tijd geïnvesteerd in het doorgronden van de effecten van de pensioenhervorming door middel van studiedagen.

Gedurende het jaar houden we gezamenlijke bijeenkomsten, soms met Verantwoordingsorgaan en Raad van Toezicht, die specifiek gericht zijn op de kennis, kunde en deskundigheid van bestuursleden. Voor 2022 hebben we een aantal van deze bijeenkomsten gepland om ervoor te zorgen dat we deskundigheid van de individuele bestuursleden als ook het gehele bestuur op peil houden.

Sleutelfuncties

In 2022 zijn de sleutelfunctiehouders op het gebied van risicobeheer, actuariaat en audit verder aan de slag gegaan met de invulling van hun taak. In hoofdstuk vier is de rol en positie van de sleutelfunctiehouder in het integraal risicomanagement systeem van ons pensioenfonds verder toegelicht.

De interne sleutelfunctiehouder risicobeheer heeft zich gericht op de reguliere risico-onderdelen van het bestuur, zoals de Risk Self Assessment (RSA), Systematische Integriteitsrisicoanalyse (SIRA) en de risicobereidheid. Daarnaast heeft deze sleutelfunctiehouder zich in 2022 met name gericht in het verder ontwikkelen van de risicocultuur binnen het pensioenfonds en op risico-opinies voor belangrijke onderwerpen die door het bestuur worden besproken. De sleutelfunctiehouder risicobeheer faciliteert daarmee een goed risicobeheerproces voor het bestuur en de bespreking van de mogelijke risico’s die het fonds loopt.

De sleutelfunctiehouder actuariaat beoordeelt op kwartaalbasis de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van de Technische Voorziening en het verloop van de Technische Voorziening en de bijbehorende (beleids-)dekkingsgraad. Elk kwartaal ontvangen wij van deze sleutelfunctiehouder een rapportage hierover. Aan het einde van het jaar heeft de sleutelfunctiehouder een oordeel gegeven over de aanpassing van de pensioenregeling en de keuze voor het alternatieve ingroeipad voor de bepaling van het opbouwpercentage voor 2023.  

De sleutelfunctiehouder interne audit evalueert periodiek de adequaatheid en doeltreffendheid van de interne controlemechanismen en andere procedures en maatregelen ter waarborging van de beheerste en integere bedrijfsvoering van het pensioenfonds, inclusief uitbestede werkzaamheden. Het bestuur hecht grote waarde aan de bevindingen en rapportages van deze sleutelfunctiehouder en overlegt met de sleutelfunctiehouder tevens over onderwerpen die volgens het bestuur specifieke aandacht behoeven, alsmede over de bijbehorende vervolgacties.

De sleutelfunctiehouder interne audit heeft in 2022 een audit uitgevoerd naar de mate van beheersing van de uitbestede vermogensbeheer activiteiten bij Van Lanschot Kempen Investment Management N.V. Daarnaast is een audit uitgevoerd naar de toereikendheid van de informatieverstrekking door TKP aan het pensioenfonds over de uitbestede pensioenactiviteiten. Ten slotte is een follow-up audit uitgevoerd naar de mate van opvolging van de aanbevelingen van een eerdere audit naar de risicobeheersings- en uitbestedingsprocessen. De bevindingen van deze werkzaamheden zijn met het bestuur gedeeld.

Tevens heeft de sleutelfunctiehouder interne audit zitting in het TKP multi-cliënt auditteam. Dit is een team, waarin een aantal sleutelfunctiehouders van klanten van TKP deelnemen. In overleg met TKP worden audits uitgevoerd bij TKP over generieke processen die TKP voor alle klanten laat uitvoeren. Dit is een effectieve en financieel aantrekkelijke manier om deze processen te (laten) auditen. Het bestuur hecht grote waarde aan de bevindingen en rapportages van deze sleutelhouder en overlegt met hem tevens over onderwerpen die volgens het bestuur specifieke aandacht behoeven, alsmede over de bijbehorende vervolgacties. Voor 2022 zijn in dit kader heeft het multi-cliënt auditteam audits uit laten voeren bij TKP met betrekking tot (1) end user computing en handmatige verwerkingen en (2) de totstandkoming van niet-financiële verantwoordingsinformatie.

Sociale partners

In 2022 hebben wij meerdere keren overleg gevoerd met de sociale partners. Deze overleggen stonden vooral in het teken van de pensioenhervorming. Sociale partners zijn onder andere verantwoordelijk voor het kiezen van één van de nieuwe pensioencontracten. Wij ondersteunen sociale partners inhoudelijk via de overleggen en met berekeningen. In 2023 zal dit zich verder voortzetten om zo te komen tot een verdere invulling. 

Geschiktheid/ opleiding

In 2020 heeft het bestuur haar functioneren geëvalueerd en zijn gezamenlijk working principles opgesteld. Dit zijn uitgangspunten die het bestuur belangrijk vindt voor haar functioneren en deze worden in vergaderingen gehanteerd. Elke vergadering evalueert het bestuur haar functioneren ook aan de hand van deze working principles. Ook in 2022 heeft het bestuur een zelfevaluatie gedaan. Dit jaar heeft het bestuur gekozen voor een interne zelfevaluatie. Naar aanleiding van de zelfevaluatie is er een werkgroep ingesteld, die verder onderzoek doet naar efficiënter vergaderen.

Periodiek wordt een meerjarenplan opgesteld voor de geschiktheidsbevordering van de verschillende fondsorganen (bestuur, Verantwoordingsorgaan en Raad van Toezicht), zowel op gezamenlijke als op individuele basis. In 2022 is invulling gegeven aan het opleidingsplan zoals deze was vastgesteld voor de periode 2020 tot en met 2022. 

Klachten en geschillen

Als een deelnemer of pensioengerechtigde het niet eens is met een besluit van ons over de uitleg en toepassing van de reglementen en statuten of over een besluit tot vaststelling van de pensioenaanspraken en ingegane pensioenen kunnen zij een klacht bij ons indienen. Indien een klager zich niet kan vinden in de afhandeling van de klacht, kan een klager zich tot de Geschillencommissie wenden. Een deelnemer kan zich daarna eventueel ook wenden tot de Ombudsman Pensioenen en de burgerlijke rechter met een klacht of een uitspraak van de Geschillencommissie waar de klager het niet mee eens is.

In 2022 zijn 19 klachten ontvangen. Daarvan zijn er in 2022 drie geschillen voorgelegd aan de Geschillencommissie waarover uitspraak is gedaan door de Geschillencommissie. Het pensioenfonds is twee keer in het gelijk gesteld. De overige klachten hadden een gemengd karakter, variërend van beleggingsbeleid of indexatiebeleid tot indicatieve berekeningen. In ruim de helft van deze gevallen is de klager in het gelijk gesteld. 

Klachten en geschillen    
Klachten aantallen  
Aantal in behandeling per 1 januari 2022   1
Bij: in 2022 ingediende klachten:    
- waarvan behandeld als klacht/geschil 16  
- waarvan behandeld door de Geschillencommissie 3  
- waarvan behandeld door de Ombudsman Pensioenen 0  
    19
    20
Af: in 2022 afgewikkelde klachten   -19
Aantal in behandeling per 31 december 2022   1

Gedragslijn verwerking persoonsgegevens

Op 1 januari 2020 is de Gedragslijn verwerking persoonsgegevens pensioenfondsen van de Pensioenfederatie (gedragslijn, AVG) in werking getreden. Onderdeel van deze gedragslijn is onder andere dat de aangesloten pensioenfondsen jaarlijks verklaren dat zij zich aan de gedragslijn hebben gehouden; de zogenaamde Assurance verklaring. In 2020 onderzocht de Privacy Officer de opzet, bestaan en werking van de procedures om daadwerkelijk vast te stellen of de gedragslijn wordt gevolgd en aan de AVG wordt voldaan. De conclusie van de Privacy Officer was dat de uitkomsten van deze audit voldoende Assurance gaven om vast te stellen dat Pensioenfonds PostNL de gedragslijn in 2020 voldoende had nageleefd.  In 2022 hebben wij op dezelfde wijze de procedures omtrent privacy gevolgd. Over 2022 is dit niet door een externe partij onderzocht, aangezien prioriteit is gegeven aan het uitvoeren van een IT-self assessment (met privacy als onderdeel). Dit geldt echter wel voor TKP Pensioen die voor ons de pensioenadministratie uitvoert met de meest privacygevoelige werkzaamheden. 

Code pensioenfondsen

De Code Pensioenfondsen (hierna: de Code) bevat acht thema's met per thema een aantal normen voor ‘goed pensioenfondsbestuur’ en is opgesteld door de Pensioenfederatie en de Stichting van de Arbeid. De Code staat niet op zichzelf, maar is een aanvulling op verschillende wetten en regels voor pensioenfondsen. De normen in de Code zijn leidend, maar laten ruimte voor eigen keuzes die het bestuur maakt.

De naleving van de Code vindt plaats volgens het ‘pas-toe of leg uit beginsel’. Dit betekent dat het pensioenfonds de normen van de Code toepast of in het jaarverslag aangeeft waarom een norm niet (volledig) wordt toegepast.

De acht thema’s zijn:

  • Vertrouwen waarmaken;
  • Verantwoordelijkheid nemen;
  • Integer handelen;
  • Kwaliteit nastreven;
  • Zorgvuldig benoemen;
  • Gepast belonen;
  • Toezicht houden en inspraak waarborgen;
  • Transparantie bevorderen.

Per thema volgt een korte toelichting (inclusief de mate waarin per thema aan de normen is voldaan. Ten aanzien van het thema 'zorgvuldig benoemen' geldt dat niet aan alle normen is voldaan. Een uitgebreidere toelichting is daarom aan dat thema toegevoegd.  

Vertrouwen waarmaken
De kern van dit thema is dat zij die voor het pensioenfonds verantwoordelijkheid dragen het in hen gestelde vertrouwen ook waarmaken. Dit moet vooral blijken uit adequaat bestuur, verantwoord beleggingsbeleid en zorgvuldig risicomanagement.

Wij voldoen aan alle negen normen binnen dit thema. Een belangrijke norm binnen dit thema is norm twee die gaat over de verantwoordelijkheid van het bestuur over de uitvoering van de pensioenregeling. Aangezien wij bijna alle werkzaamheden hebben uitbesteed, is dit een norm waar wij veel aandacht aan besteden en een norm die continu onder de aandacht is en zal blijven.

Verantwoordelijkheid nemen
Deze normen hebben betrekking op het feit dat het pensioenfonds zijn verantwoordelijkheid neemt voor de uitvoering van de pensioenregeling.

Wij voldoen aan alle vijf normen binnen dit thema. Alle normen binnen dit thema zijn gericht op de partijen die de werkzaamheden voor ons uitvoeren. Belangrijke aandachtspunten dit jaar waren voor ons de overeenkomsten, rapportages en evaluatie van uitbestedingspartijen. Dit werd mede veroorzaakt door de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. 

Integer handelen
De Code bepaalt dat een cultuur van integriteit en compliance door ons wordt bevorderd. Wij voldoen aan alle acht normen binnen dit thema. Het integriteitsbeleid is in juli 2022 geëvalueerd. Begin 2023 hebben we het herziene integriteitsbeleid en de gedragscode geactualiseerd.

Kwaliteit nastreven
Volgens de Code stelt het pensioenfonds hoge kwaliteitseisen, voert daar een beleid op en is het pensioenfonds een lerende organisatie. Wij voldoen aan de acht normen binnen dit thema. Wij streven naar kwaliteit in de dienstverlening aan onze deelnemers. In 2022 hebben we een datakwaliteitsbeleid vastgesteld, waarbij wij de dialoog zijn aangegaan met onze uitbestedingspartijen. Wij letten scherp op de incidenten bij uitbestedingspartijen en de opvolging daarvan. 

Zorgvuldig benoemen

Het fonds handelt zorgvuldig bij (her)benoeming en ontslag, en zorgt voor geschiktheid, complementariteit en diversiteit in de samenstelling van de organen van het fonds. Normen 31 tot en met 40 van de Code hebben betrekking op dit thema.

31. De samenstelling van fondsorganen is wat betreft geschiktheid, complementariteit, diversiteit, afspiegeling van belanghebbenden en continuïteit, vastgelegd in beleid. Zowel bij de aanvang van een termijn, als ook tussentijds bij de zelfevaluatie vindt een check plaats. 

32. Het bestuur zorgt voor geschiktheid, complementariteit en continuïteit binnen het bestuur. Daarbij houdt het rekening met opleiding, achtergrond, persoonlijkheid, geslacht en leeftijd. Het bestuur toetst de geschiktheid van bestuursleden bij het aantreden en gedurende het bestuurslidmaatschap. 

33. In zowel het bestuur als in het VO is er tenminste één vrouw en één man. Er zitten zowel mensen van boven als van onder de 40 jaar in. Het bestuur stelt een stappenplan op om diversiteit in het bestuur te bevorderen. 

34. De zittingsduur van een lid van het bestuur, het VO en raad van toezicht is maximaal vier jaar. Een bestuurslid kan maximaal twee keer worden herbenoemd, een lid van de raad van toezicht maximaal één keer. 

35. Het bestuur en het intern toezicht houden bij het opstellen van de profielschets rekening met het diversiteitsbeleid. Het VO houdt hier rekening mee bij het opstellen van de competentievisie. 

36. Het bestuur, het VO en de raad van toezicht leggen bij de vacature de eisen voor de vacante functie vast. Hierbij wordt rekening gehouden met de in de normen 31, 32 en 33 opgenomen eisen. 

37. Bij de vervulling van een vacature wordt actief gezocht (en/of actief opgeroepen om te zoeken) naar kandidaten die passen in de diversiteitsdoelstellingen. Het bestuur neemt hierover tijdig contact op met degenen die betrokken zijn bij het voordragen of de verkiezing van kandidaten. 

38. Het bestuur en het BO toetsen voorgedragen kandidaten mede aan de hand van de diversiteitsdoelstellingen. Het VO bevordert dat in de procedure de competentievisie wordt meegenomen, inclusief de diversiteitsdoelstellingen. 

39. Een bestuurslid wordt benoemd en ontslagen door het bestuur, na het horen van de raad van toezicht over de procedure. Een lid van de raad van toezicht of visitatiecommissie wordt benoemd door het bestuur na bindende voordracht van het verantwoordingsorgaan en wordt ontslagen door het bestuur na bindend advies van het verantwoordingsorgaan. Een lid van het verantwoordingsorgaan wordt benoemd door het bestuur en ontslagen door het verantwoordingsorgaan zelf. In uitzonderlijke situaties kan het bestuur in overleg met het intern toezicht een lid ontslaan. 

40. Het bestuur zorgt dat de statuten een schorsingsprocedure kennen.

Wij voldoen aan één van de tien normen niet. Daarnaast wijken we bewust af van één norm. In norm 33 is opgenomen dat, zowel in het bestuur en verantwoordingsorgaan ten minste één man en één vrouw zitting hebben en er mensen zitting hebben van boven als van onder de 40 jaar. In zowel het bestuur als het verantwoordingsorgaan hebben minimaal één man en één vrouw zitting, echter er zijn in het bestuur en in verantwoordingsorgaan geen personen van onder de 40 jaar. Bij de invulling van vacatures wordt overigens wel expliciet aandacht besteed aan diversiteit.

In norm 34 is opgenomen dat de zittingsduur van bestuur en verantwoordingsorgaan is gemaximeerd tot twee herbenoemingen. Wij hebben in de statuten opgenomen dat in bijzondere omstandigheden bestuursleden nog een periode herbenoembaar zijn.

Gepast belonen
Er wordt van uitgegaan dat een pensioenfonds een verantwoord en beheerst beloningsbeleid voert, gericht op kwaliteit, continuïteit en consistentie. Wij voldoen aan alle vijf normen. In 2022 is het beloningsbeleid geactualiseerd en aangepast.  

Toezicht houden en inspraak waarborgen
Dit thema ziet toe dat wij het intern toezicht op de kwaliteit en integriteit van de bedrijfsvoering waarborgen. Wij voldoen aan alle twaalf normen binnen dit thema.  De Raad van Toezicht en het Verantwoordingsorgaan worden actief betrokken bij instemmings- en goedkeuringsplichtige onderwerpen. Ook worden de Raad van Toezicht en het verantwoordingsorgaan regelmatig bijgepraat over lopende, relevante onderwerpen. 

Transparantie bevorderen
Uit de normen van dit thema vloeit voort dat dat wij openheid nastreven, communiceren over de missie en strategie en risico’s en dat we verantwoording afleggen over het gevoerde beleid.

Wij voldoen aan de acht normen uit dit thema. Ook in 2022 hebben we nadrukkelijk aandacht gehad voor de norm dat het bestuur zijn overwegingen omtrent verantwoord beleggen vastlegt en stelt dit beschikbaar voor belanghebbenden. Op de website is een specifieke pagina opgenomen waar we een uitvoerige toelichting geven op de wijze waarop wij met verantwoordbeleggen om willen gaan en is er een separaat jaarverslag over verantwoordbeleggen. 

3.7. Uitbesteding

In hoofdstuk 2 is al aangegeven dat wij de meeste operationele activiteiten hebben uitbesteed. 

Beoordeling en evaluatie uitbestedingspartijen

Wij beoordelen het gehele jaar door de prestaties van de uitbestedingspartijen. Dit vindt plaats aan de hand van reguliere rapportages die zijn gebaseerd op de afgesloten dienstverleningsovereenkomsten en zogenaamde servicelevel agreements (SLA’s). SLA’s zijn documenten waarin nadere afspraken over specifieke onderdelen van de dienstverlening tussen het pensioenfonds en de uitbestedingspartijen zijn vastgelegd. Daarnaast zijn er incidentele rapportages en vinden er regelmatig overleggen plaats over diverse onderwerpen. Afhankelijk van het onderwerp en het doel is de Financiële Commissie of de vakinhoudelijke commissie of het Dagelijks Bestuur, betrokken bij de overleggen. Tevens heeft de Risicobeheercommissie vanuit haar taak en verantwoordelijkheden een direct overleg met het 2e-lijns risicomanagement van de belangrijkste uitbestedingspartijen.

Elk jaar evalueren wij één of twee uitbestedingspartij uitgebreider, waarbij we de dienstverlening in de gehele breedte beoordelen. In 2022 hebben we zowel TKP en BNP uitgebreid geëvalueerd. Aan de hand van vastgestelde criteria heeft het bestuur de dienstverlening beoordeeld. Ook is aan de uitbestedingspartijen zelf gevraagd om de dienstverlening en samenwerking te beoordelen. De dienstverlening van TKP en BNP hebben wij als goed beoordeeld, waarbij een aantal aandachtspunten zijn geformuleerd die worden meegenomen naar 2023.

Verder evalueren we jaarlijks na afloop van het jaarwerkproces de accountant en de certificerend actuaris. De uitkomsten van beide evaluaties in 2022 waren positief.

IT

De afgelopen jaren is IT steeds meer een actueel onderwerp geworden dat aandacht behoeft vanuit het bestuur. De ontwikkelingen op dit gebied gaan snel en onze uitbestedingspartijen zijn diverse veranderingen aan het doorvoeren in de inrichting van de werkprocessen.

Het bestuur richt zich hierbij op drie onderdelen:

  • het borgen van de IT-functie waaronder een effectieve werking van relevante controls en adequate risico analyse,
  • het onderhouden en waar nodig verhogen van het kennisniveau binnen het bestuur,
  • de ontwikkelingen bij TKP Pensioen met name in het licht van de naderende overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.

Eind 2021 en begin 2022 hebben wij met externe deskundigen geïnvesteerd in het verbeteren van de IT-omgeving van het pensioenfonds. Het IT-beleid is o.a. geactualiseerd en in dit beleid is de wijze beschreven waarop wij willen omgaan met onze IT-functie en de beheersing van daaraan gerelateerde risico’s. Daarnaast hebben wij als uitkomst van de uitgevoerde IT-self assessment de actiepunten in 2022 opgepakt en uitgevoerd. Daardoor hebben wij het niveau bereikt dat we voldoen aan de door DNB uitgebrachte richtlijn en benoemde controls die passen bij de IT-omgeving van het fonds.

In 2022 is tevens een kennissessie met het bestuur gericht op IT-governance vanuit het bestuur en de concrete invulling van het IT-beleid.

Verder hebben we in 2022 de IT-dialoog met TKP Pensioen gevoerd. TKP Pensioen is onze uitvoerder van de pensioenadministratie en met de pensioenhervorming in het vooruitzicht, is het belangrijk om de (IT-) ontwikkelingen bij TKP Pensioen goed te kunnen volgen. In 2022 hebben wij vastgesteld dat TKP Pensioen veel aandacht heeft voor de IT-omgeving en zich voorbereid om o.a. de doelarchitectuur en relevante programmatuur tijdig gereed te krijgen. In 2023 en daarna zullen wij blijven monitoren of TKP Pensioen de noodzakelijke IT-aanpassingen (tijdig) doorvoert. In de 1e helft van 2022 heeft het bestuur een zogenaamd Plan B scenario vastgesteld waarbij de alternatieven in kaart zijn gebracht voor het geval dat TKP Pensioen niet of niet tijdig genoeg de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel kan realiseren

Datakwaliteit

Met het oog op de aanpassingen van de pensioenregeling op basis van Wtp is het extra van belang dat de datakwaliteit, de mate waarin data geschikt is voor het doel waarvoor ze worden gebruikt, passend is. De(historische) data van alle deelnemers, vaak opgebouwd gedurende een hele lange periode, dient juist te zijn. Met name bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is het van groot belang dat alle data accuraat is. 

Daarnaast moet onder Wtp de pensioenadministratie bij TKP worden gekoppeld aan de administratie van de beleggingen (bij BNP Paribas). Om die koppeling goed te kunnen maken hebben wij in 2022 en doorlopend in 2023 extra aandacht voor datakwaliteit. TKP en BNP Paribas zijn voorbereidingen aan het treffen met het inrichten van de infrastructuur om deze koppeling goed te laten verlopen. Wij zijn uitgebreid betrokken bij dit project en volgen de ontwikkelingen op de voet.

3.8. Actuele ontwikkelingen

In deze paragraaf worden de belangrijkste externe ontwikkelingen voor de komende periode besproken die van invloed kunnen zijn op het beleid van het pensioenfonds. 

Inflatierisico en renterisico

Zoals vermeld is er sprake van een sterke toename van de inflatie als gevolg van de stijgende vraag na de corona-pandemie en tegelijkertijd het tekort aan grondstoffen en producten mede door de oorlog in Oekraïne. De oorlog in Oekraïne heeft ook een opdrijvende invloed op de prijzen van grondstoffen als olie, gas en graan. Daarnaast is in verschillende sectoren van de arbeidsmarkt sprake van krapte. Dit speelt vooral in de Verenigde Staten, maar ook in Europa zijn hier de eerste signalen van. Dit kan leiden tot loonstijgingen, die weer een opwaartse druk kunnen hebben op de prijzen en de inflatie, en dus de koopkracht. Centrale overheden en met name de Europese bank zullen de inflatie willen temperen met renteverhogingen.

Het pensioenfonds volgt de ontwikkelingen nauwgezet.

3.8.1. Pensioenontwikkelingen

Wet toekomst pensioenen

In december 2022 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) aangenomen. De Eerste Kamer zal de concept wet in de 1e helft van 2023 beoordelen en zich hierover uitspreken.

De voorziene datum van inwerkingtreding is 1 juli 2023.

Invaren of niet
Inmiddels is duidelijk hoe de Pensioenwet en andere wetten zullen worden aangepast, als de Eerste Kamer heeft ingestemd met de Wet toekomst pensioenen. In de periode tot 1 januari 2027 zullen sociale partners of werkgevers moeten besluiten over het al dan niet invaren van de opgebouwde aanspraken en rechten in een nieuwe pensioenregeling, die uiterlijk 1 januari 2027 moet ingaan.

Gelijke premie voor alle deelnemers
De nieuwe pensioenovereenkomst zal een premieovereenkomst zijn, waarvan drie varianten bestaan. Iedere deelnemer krijgt een persoonlijk pensioenvermogen, waaraan premies en positief of negatief rendement worden toegevoegd. Fiscaal geldt een maximumpremie van 30% van de pensioengrondslag. Dit maximum kan vanaf 2037 worden aangepast, aan de hand van dan geldende rendementsverwachtingen. Alle deelnemers hebben recht op hetzelfde premiepercentage, waardoor jongeren meer pensioen opbouwen dan ouderen. Door een amendement zal ook in de solidaire premieregeling een collectieve uitkeringsfase mogelijk zijn: alle ingegane pensioenen worden daarin in dezelfde mate verhoogd of verlaagd, wat tot enige herverdeling tussen de gepensioneerden leidt.

Nabestaandenpensioen
Eén van de ingrijpende wijzigingen is de uniformering van het partnerbegrip, dat voor ongehuwd samenwonenden nu nog per regeling kan verschillen. Het partner- en wezenpensioen bij overlijden voor de pensioendatum is altijd verzekerd op risicobasis. De hoogte van het partnerpensioen wordt uitgedrukt in een percentage van het pensioengevend loon en bedraagt maximaal 50% daarvan. Op de pensioendatum kan het pensioenvermogen gebruikt worden voor aankoop van een ouderdomspensioen en een partnerpensioen voor overlijden na de pensioendatum. Het wezenpensioen wordt ook aangepast, eindigt uiterlijk op 25 jaar en bedraagt maximaal 20% van het pensioengevend loon (volle wezen 40%). De dekking van het partner- en wezenpensioen wordt voortgezet tijdens WW of een andere uitkering. Is er geen recht op zo’n uitkering dan duurt de dekking drie maanden voort, tenzij in de pensioenovereenkomst een duur van zes maanden is opgenomen. Daarna heeft de gewezen deelnemer het recht om voor eigen rekening de dekking voort te zetten. De pensioenregeling kan dit beperken tot 15 jaar. 

Overgangsregeling nabestaandenpensioen
Degene die voor de overgang naar de nieuwe pensioenregeling partner is en gerechtigd tot een aanspraak op partnerpensioen, blijft ook na deze overgang gerechtigd tot die aanspraak. Hetzelfde geldt voor wezenpensioen op opbouwbasis. Hoe deze aanspraken precies moeten worden behouden in de nieuwe pensioenadministratie moet verder worden uitgewerkt. 

Wetsvoorstel uitkering ineens

Al in 2021 heeft het parlement ingestemd met de Wet bedrag ineens. Onderdeel daarvan was dat een deelnemer aan een pensioenregeling het recht krijgt om bij pensioeningang 10% van de waarde van zijn aanspraken op ouderdomspensioen ineens te kunnen ontvangen. De pensioenuitvoerder moet daaraan meewerken.

Het wetsvoorstel is in 2022 ingediend bij de Tweede Kamer. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel begin 2023 nog in behandeling. Inmiddels is de voorziene datum van inwerkingtreding opgeschoven naar 1 januari 2024.

Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding

De opvolger van de huidige Wet verevening pensioenrechten bij scheiding wordt naar verwachting ingevoerd per 1 januari 2027, dus aan het einde van de periode waarin pensioenregelingen moeten zijn aangepast aan de Wet toekomst pensioenen.

Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding

De opvolger van de huidige Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wps) zou oorspronkelijk op 1 januari 2021 in werking treden. De Wet toekomst pensioenen (Wtp) doorkruiste dit voornemen. Inmiddels is de invoering van de Wps voorzien voor 1 januari 2027, dus aan het einde van de periode waarin pensioenregelingen moeten zijn aangepast aan de Wtp.

Reden voor het uitstel van de Wps is dat de Wtp niet alleen een geheel nieuw pensioencontract introduceert, maar ook voorziet in wijziging van het partnerbegrip en in een nabestaandenpensioen dat sterk afwijkt van het nu meest voorkomende partnerpensioen, defined benefit op opbouwbasis. De regering heeft bijtijds ingezien dat beide wetsvoorstellen zo veel raakvlakken hebben, dat een vrijwel gelijktijdige invoering de administratie van pensioenuitvoerders extra zou belasten. 

Automatische waardeoverdracht kleine pensioenen

Met de invoering van de Wet waardeoverdracht kleine pensioenen is het mogelijk geworden dat pensioenuitvoerders kleine pensioenen automatisch overdragen naar de nieuwe uitvoerder van de aanspraakgerechtigde, zonder dat daarvoor instemming van de gerechtigde nodig is. Intussen is de nodige ervaring opgedaan met de uitvoering van deze wet en het lijkt erop dat de automatische waardeoverdrachten soepel verlopen.

Kleine aanspraken niet ontstaan bij einde deelneming

Deze wet was bedoeld voor kleine pensioenen die zijn ontstaan bij einde deelneming als gevolg van het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Er zijn ook kleine aanspraken die op andere wijze zijn ontstaan, met name bij het eindigen van een uitvoeringsovereenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder. Deze laatste kan dan niet de kleine aanspraken overdragen aan een latere nieuwe uitvoerder, omdat er sprake is van een collectieve beëindiging van de deelneming en niet van het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Pensioenuitvoerders herkennen de verschillende soorten kleine aanspraken niet in de administratie en zouden bij een automatische waardeoverdracht alle kleine aanspraken overdragen.

Een wetsvoorstel dat ervoor zorgt dat ook kleine aanspraken die niet zijn ontstaan door het einde van de deelneming bij het einde van een arbeidsovereenkomst, kunnen meegaan in het proces van automatische waardeoverdracht. Het wetsvoorstel is op 1 januari 2023 in werking getreden. Er liggen nog grote aantallen oude kleine aanspraken, ontstaan vóór 2018, te wachten op automatische waardeoverdracht. Deze kleine aanspraken kunnen met deze wetswijziging de komende tijd ongesorteerd automatisch worden overgedragen.

3.8.2. Financiering

Reguliere premie

Voor deelnemers aan de pensioenregeling betaalt de werkgever premie voor de opbouw van het pensioen. De feitelijk door de werkgever te betalen premie ligt vanaf 1 januari 2020 tussen 21,7% en 29,2% (de premie voor rekening van de werknemer bedraagt 6,0%) van de som van de pensioengrondslagen. Als de feitelijke premie onder de grens van 21,7% of boven de grens van 29,2% uitkomt, dan wordt eerst het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen verhoogd of verlaagd, waarbij rekening gehouden wordt met het fiscaal maximale opbouwpercentage. Voor 2022 is het opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen vastgesteld op 1,826%. Het fiscaal maximale opbouwpercentage bedraagt 1,875%. 

Invoering nieuwe UFR-methode

De Nederlandse Bank (DNB) heeft op 28 augustus 2020 aangegeven dat invoering van de nieuwe UFR-methode vanaf 1 januari 2021 gefaseerd plaatsvindt. In vier gelijke stappen. Deze Ultimate Forward Rate (UFR) is onderdeel van de rentetermijnstructuur zoals maandelijks gepubliceerd door DNB. De stapsgewijze invoering zorgt ervoor dat het effect van de nieuwe UFR-methode op de dekkingsgraad zich geleidelijk in de tijd materialiseert.

In december 2022 heeft Commissie Parameters van DNB besloten om de laatste twee stappen (die oorspronkelijk op 1 januari 2023 en 1 januari 2024 stonden gepland) ineens in te voeren. Door de actuele rentestand is het effect op de dekkingsgraad beperkt (voor PF PostNL 0,2%-punt), waardoor gefaseerde invoering niet meer nodig werd gevonden. 

Versie:
v6.2.32

Met iWink Report maak je professionele online publicaties. Publicaties die je online, in print en als PDF-download kunt aanbieden.

En daarmee voldoe je direct aan de WCAG-wetgeving rond digitale toegankelijkheid.

Eenvoudig, veilig en efficiënt.

Meer over iWink Report